Leesclubvragen Vogeljongen

Leesclubvragen Vogeljongen

Guus Bauer: Vogeljongen

Een man ligt 'locked-in' in het ziekenhuis: verlamd, maar ook volledig bewust. Langzaam ontdekt hij de waarheid over zijn leven.

‘Heel beklemmend en ontzettend goed geschreven.’ - Jan Verhagen, boekenpanel DWDD

GESPREKSVRAGEN

1. Waar zou de titel Vogeljongen naar kunnen verwijzen, letterlijk zowel als figuurlijk.

2. Als volwassene gebruikt de hoofdpersoon zijn herinneringen om enerzijds niet waanzinnig te worden in de comateuze toestand waarin hij terecht is gekomen, anderzijds is hij constant op zoek naar gemiste tekens. Feitelijk is hij zijn leven aan het herschikken met de onlangs opgedane kennis. Deze tekens zijn vanaf het begin in de tekst verstopt. Waar?

3. De roman handelt hoofdzakelijk over ‘identiteit’, over de gevolgen van een verzwegen verleden. Maar onderhuids worden er nog veel meer thema’s behandeld. Welke?

4. De vorm is ogenschijnlijk simpel, een verhaallijn in het heden, afgewisseld met een verhaallijn in het verleden. Waarom zou daarvoor gekozen zijn?

5. Beide verhaallijnen zijn in de tegenwoordige tijd geschreven, ook de herinneringen. Waarom?

6. Wat wil de gekozen vorm nog meer uitdrukken, benadrukken?

7. Geef een voorbeeld van de invloed van het ene op het andere verhaal.

8. Ongewild is het leven van de hoofdpersoon toch op dat van zijn ouders gaan lijken. Al analyserend in het ziekenhuis beseft hij dat hij meer op hen lijkt dan hem wellicht lief is. Er is één heel duidelijke parallel. Welke?

9. Welke ontwikkeling valt er in de loop van de roman nog meer te bespeuren?

10. De taal is direct, zonder poespas. Te simpel om te kunnen beroeren?

11. Verklaar de rol van de zus en de zwager van de zakenman in het geheel?

12. En de vader?

13. Welke rol heeft de dochter van de zakenman?

14. En de zuster in het ziekenhuis?

15. Zou je het gedeelte dat speelt op het internaat als kern van het boek kunnen zien?

16. Deze roman is semi-autobiografisch. Valt er iets over de schrijver uit te distilleren?

 

Lezingen

Guus Bauer geeft lezingen. Ook een bezoek aan een leesclub behoort tot de mogelijkheden. Neem hiervoor contact op met de uitgeverij: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

ANTWOORDEN

1. Wanneer de hoofdpersoon jong is, voedt hij stiekem een verweesd kauwtje op in de fietskelder van de ouderlijke flat. Als volwassene is hij ineens lamgeslagen, als een hulpeloos vogeljong. Zijn vriendje Dolf op het internaat heeft daarnaast het uiterlijk van een breekbaar vogeltje: Een haakneus en een vooruitstekende smalle kaak. Hij is, twaalf jaar oud en al kalend. In het echt werd hij ‘De gier’ genoemd. Overdrachtelijk staat de titel ook voor de ‘gevangenschap’ van de hoofdpersoon in bezorgdheid wanneer hij jong is. De moeder die zeer beschermend is, hem bijna in een kooi houdt. In zekere zin staat de titel ook voor de onbeholpenheid van het opgroeien en voor een vlucht in het verleden.

2. Voorbeelden te over, maar een paar die overduidelijk zijn: De man die geheel gekleed in het zwart aan de deur verschijnt heeft het over ‘tofelemonen’. Een Jiddisch spotwoord voor katholieken. Hij stelt aan de moeder voor om van de jongen een ‘zoon van het gebod’ te maken. De letterlijke vertaling van ‘bar mitswa’. Wanneer moeder en zoon bij het graf van de vader staan, leggen ze allebei een steentje op het graf. De moeder zegt dat dat een gewoonte is van haar kant van de familie. Wat er eventueel gebeurd kan zijn, wordt ook gesuggereerd door het feit dat er nooit over haar kant van de familie wordt gesproken, dat er geen graven zijn om te bezoeken. Nog een voorbeeld is het bezoek aan de supermarkt De Gruyter waar de moeder zich onbedoeld blootgeeft door met een Hebreeuws liedje mee te zingen. De jongen denkt dat het gaat over zijn poging om een chocoladereep mee te smokkelen.

3. Herinneren is subjectief, de roman verkondigt één van de waarheden. Er vindt een zekere verzoening met de feiten plaats van de hoofdpersoon. Er komt – een groot goed wanneer iemand de kans krijgt – een verklaring voor de manier waarop de moeder het nakomertje in het verleden heeft behandeld. Er ontstaat uiteindelijk begrip voor het handelen van de ouders. Geld en succes zijn niet zaligmakend. Het is een oproep om het leven te vieren. Stilte kan besmettelijk zijn, verzwegen zwaarwegende zaken kunnen van generatie op generatie worden overgeërfd, opnieuw zorgen voor zwerende wonden. Het is zaak om dat te stoppen. Daarnaast is het hele boek ook een observatie over verandering. Om te beginnen de oude buurt, de nieuwbouwwijk die helemaal neer is gehaald. Een wereld die verdwenen is en eigenlijk wederom een nieuwe wijk is geworden. In feite is het terzijde ook een aanklacht tegen de bezuinigingen in de gezondheidszorg.

4. De afwisseling zorgt voor een dubbele spanningsboog. Daarnaast ben ik de mening toegedaan, dat wanneer twee verhalen tegen elkaar aan schuren er door de wrijving vuur ontstaat. Het was duidelijk de bedoeling om de verhalen op elkaar te laten reageren. Scènes meer lading te geven, van een andere kant te laten zien. De man is immers bezig met het herschikken van zijn leven met onlangs opgedane kennis. Het geeft de tekst een bepaald ritme, meer vaart. Het krijgt een dwingend karakter. Men wil doorlezen om te weten wat er in de verschillende verhalen gaat gebeuren. Ze zijn ook tegengesteld in de zin dat de stukken in het verleden vol beweging zitten, terwijl de stukken in het ziekenhuis ‘verlamd’ zijn.

5. Wanneer teksten in de tegenwoordige tijd zijn gesteld en zeker ook in de ik-vorm, dan is de lezer heel erg betrokken bij de handelingen, maakt de gebeurtenissen als het ware ‘live’ mee. De herinneringen, de stukken die in het verleden spelen, zijn ook in de tegenwoordige tijd gesteld omdat de lezer zo terug wordt gebracht naar een andere tijd. Het is daarbij niet van belang of de lezer die tijd heeft meegemaakt. Het gaat erom een tijdsbeeld te scheppen. Herkenning doordat men die tijd zelf heeft meegemaakt is meegenomen, maar niet noodzakelijk. Van alle maskers die de schrijver kan hanteren is daarnaast de ik-vorm misschien wel de beste vermomming.

6. Het boek is van begin tot eind eigenlijk een interne monoloog. Je verkeert constant in het hoofd van de naamloze hoofdpersoon. Deze vorm brengt vooral de wanhoop, de doodsangst, naar voren. Er wordt over hem beslist, over hem gesproken, er worden bekentenissen tegen hem gedaan. Maar hij kan nergens op reageren. Vooral voor iemand die altijd alles onder controle wilde hebben, is dat onverteerbaar. De lezer weet alles, maar de zakenman blijft ‘locked in’. Het is aan het einde niet duidelijk of hij zijn verhaal en het verhaal van de vogeljongen Dolf nog aan iemand kan vertellen.

7. Het jongetje ziet aan de hand van zijn vader hoe een tuinder wordt doodgereden. Terloops heeft hij wel een belangrijk gebaar geregistreerd, maar hij moet alleen maar giechelen over een gat in de sok van de tuinder waaruit diens grote teen steekt. Het gebaar met wijsvinger en middelvinger waarmee de chauffeur de dode ogen van de tuinder sluit, wordt in het stuk in het ziekenhuis ineens een gebaar van compassie. De zakenman beseft dat er iemand voor hem zorgt. De zeer betrokken zuster.

8. De vader was gedurende de Tweede Wereldoorlog een tijd lang ondergedoken om tewerkstelling in Duitsland te ontlopen. De moeder zat, voordat ze met een groot deel van de familie werd afgevoerd, eigenlijk ondergedoken in het katholieke gezinsverband van haar vader. Als jongen trekt de hoofdpersoon zich meestentijds terug in de fietskelder, ook op het internaat heeft hij een geheime onderduikplek. Hij denkt erover om in zijn nieuwe huis in de buurt waar hij is opgegroeid ook een verstrekte onderduik te bouwen.

9. Waar de roman eerst iets heeft van een ‘akte van beschuldiging’, groeit het uit tot een ‘liefdesverklaring’ aan de moeder. De moeder die zich uiteindelijk ook tot het bittere einde opwerpt voor haar kind. Waar ze eerst uitsluitend een kwade genius lijkt in het gezinsverband, blijkt ze alles met de beste bedoelingen te hebben gedaan. Een mens die beschadigd is, maar er toch het allerbeste van probeert te maken.

10. Het is altijd zaak om zo helder als mogelijk te schrijven. Die ogenschijnlijke eenvoud is doorgaans zwaarbevochten. Het bewust zoeken naar poëtisch taalgebruik zorgt dat men wordt afgeleid van het verhaal, dat je aan de mooie woorden blijft haken. Veel krachtiger is het wanneer ‘gewone taal’ in betekenis licht wordt gekanteld. Zoals de opmerking van de vader over de dode tuinder op de weg. Hij krijgt van een passerende buschauffeur een zak aardappelen onder zijn hoofd gelegd. Een doodsbed van tien kilo. De vader zegt alleen ‘vastkokend’. Een bijna koele observatie, waar toch kracht van uitstraalt.

11. De zus en zwager hebben hun eigen leven, zij is al bijna volwassen wanneer de supernakomer ter wereld komt. Ze probeert het wel, maar laat zich door de zwager te veel leiden. Het is onvermijdelijk dat ze uit elkaar groeien. Er vindt toch een zekere toenadering van haar kant plaats. Nu het in haar ogen eigenlijk te laat is. De zwager is pragmatischer, heeft nauwelijks iets met de vogeljongen.

12. De vader wordt ergens geïdealiseerd, iets wat al snel gebeurt wanneer een ouder heel vroeg sterft. De hoofdpersoon heeft een heel leven lang geleden onder het feit dat hij geen afscheid van hem heeft willen, heeft kunnen nemen, bang als hij was voor het vreemde, voor die veranderde man, voor ziekte, voor dood. De vader is degene die alles met de mantel der liefde bedekt, die ook vergoelijkend is ten opzichte van zijn vrouw.

13. De dochter is degene die de zakenman ‘in leven houdt’, die hem hoop schenkt, de kracht om door te gaan. Hij wil haar nog een kans geven om afscheid van hem te nemen. Hij wil niet haar met hetzelfde ‘schuldgevoel’ opzadelen, wil voortaan niet alleen financieel voor haar klaarstaan, maar ook emotioneel.

14. De zuster vertegenwoordigt de compassie tegen alle wetten van de huidige zelfhulpeconomie in. Zij is een waar humaan mens. Niet voor niets is haar naam zo goed als hetzelfde als die van de dochter.

15. Wel in de zin dat daar het probleem van de eenzaamheid het duidelijkst wordt aangekaart. Dolf, de vogeljongen heeft zich opgehangen. Maar was het wel suïcide? Waar kan een twaalf jaar oude jongen met zijn twijfel heen? De moeder, zijn zus zullen zeggen dat het kinderpraatjes zijn. De katholieke politie, de pater Witlok die ook gebukt gaat onder het regime? Zij zijn toch de tegenpartij. Nergens kan hij met zijn verhaal terecht. En waarom, denkt hij, heb ik het daarna nooit naar buiten gebracht? Nu hij in comateuze toestand verkeert, is het wellicht te laat. De wil om zijn verhaal alsnog te doen houdt het hem ook gaande.

16. De herinneringen zijn autobiografisch. Het is een cliché, maar het is een noodkreet, een oproep om je uit te spreken voor het te laat is. Daarnaast is het een zelfanalyse over wanneer het leven als schrijver begon, als een mens die met en in verhalen leeft. In dit geval, het moment waarop je wéét dat je observeert, registreert. De jongen als zevenjarige beseft dat hij precies weet wanneer zijn moeder tegen hem tekeer zal gaan, om niets zogezegd. Én dat zijn vader en zus hem te hulp zullen komen. Het is het ‘manipuleren’ van de werkelijkheid, het inzetten van de verbeelding om een waarachtig verhaal neer te kunnen zetten.

Contact

Uitgeverij Marmer
Bezoekadres: Amalialaan 126 B | 3743 KJ Baarn
Postadres: De Botter 1 | 3742 GA Baarn

E: info@uitgeverijmarmer.nl 

KVK-nr: 32136101
BTW-nr: NL 8195.286.38.B.01