Leesclubvragen Zo zijn wij niet

Leesclubvragen Zo zijn wij niet

Janneke Holwarda: Zo zijn wij niet

Het is midden jaren vijftig. Op de plaats waar ooit een meer lag wordt een nieuwe wijk gebouwd: Warmeer. Een moderne wijk, ruim van opzet, met veel groen en doorzonwoningen. De bewoners van de Veenstraat nemen hun intrek. Een blinde pianoleraar zingt vreemde liedjes, een meisje wil liever een jongen zijn, twee zussen dromen van het echte leven in een bruisende stad. In een van de achtertuinen bouwt een man een zeewaardig schip. Er rijdt een bed op wielen door de straat, damesondergoed verdwijnt van een waslijn en achter de schuurtjes zoent een tienermeisje met een onguur type. Over de heg, bij de kar van de bakker, in de rij bij de slager en in de wachtkamer van de dokter wordt naar elkaar gekeken, over elkaar gedacht, gefluisterd en geoordeeld. Iedereen prijst zichzelf gelukkig dat hij niet zo is.

 

GESPREKSVRAGEN

1. Wat zou de titel ‘Zo zijn wij niet’ zeggen?

2. De verhalen over de personages worden afgewisseld door samenspraken tussen niet nader genoemde personen. Wat wordt daarmee gesuggereerd? Wat zou de bedoeling daarvan zijn?

3. De schrijver gebruikt in deze roman vijf verschillende perspectieven: Welke zijn het?

4. Het verhaal over Han is vanuit een vrij ongebruikelijk perspectief geschreven. Waarom zou de schrijver daarvoor gekozen hebben?

5. Door welke schrijvers zou Janneke Holwarda bij het schrijven van ‘Zo zijn wij niet’ geïnspireerd zijn?

6. Deze roman is semi-autobiografisch. Valt er iets over de schrijver uit te distilleren? Wat vindt de schrijver van het straatje waar ze is opgegroeid?

7. De plaats waar de Veenstraat ligt wordt niet met name genoemd. Wat zou de reden zijn om daar niet expliciet over te zijn?

8. Het boek beschrijft drie verschillende momenten, 1954-1955, 1850 en 1963-1967. Waarom zou daarvoor gekozen zijn, en waarom in deze volgorde?

9. Is er een parallel tussen de verhalen uit de Veenstraat en het verhaal over het meer dat daar ooit lag en de witte wieven die daar dansten?

10. Wat is het overkoepelende thema in ‘Zo zijn wij niet’?

 

ANTWOORDEN VAN DE AUTEUR

 

1. ‘Zo zijn wij niet’, ‘Zo willen we niet zijn’, ‘Anderen zijn zo, maar wij niet’. Door dit uit te spreken bevestigt iemand juist dat hij ook zo is. Het is dus eigenlijk een paradox. Roddelen vervult een belangrijke functie in een samenleving. Het gevoel ergens bij te horen, dezelfde mening te zijn toegedaan als anderen, is van levensbelang. We kunnen wel niet zo willen zijn, maar we zijn zo.

2. Door de ‘koorzangen’ anoniem te laten kan iedereen daar in principe in vertegenwoordigd zijn. Zie ook de titelverklaring. De verhalen die mensen over elkaar vertellen leiden een eigen leven, naast de verhalen van de personages zelf. Er zijn twee waarheden: de waarheid in de hoofden van de anderen en de waarheid in je eigen hoofd. Hoe begrijpen we elkaar? Hoe krijgen we werkelijk contact?

3. De eerste persoon, de tweede persoon, de derde persoon, het koor en de alwetende verteller.

4. Han is op zoek naar haar identiteit. Ze valt nog niet samen met haar eigen ik. Ze kijkt vanaf een afstandje naar zichzelf. Aan het eind van het boek valt ze samen met haar eigen ik, en gebruikt de schrijver de 1e persoon.

5. Griekse tragedies, en dan met name het aspect van het koor dat de handeling becommentarieert, ‘Onder het melkwoud’ van Dylan Thomas, (de vele stemmen, de kleine gemeenschap, de verteller), Lydia Davis’ short stories, en tijdens het werk aan deze roman verscheen Annegreet van Bergens boek ‘Gouden jaren’, een welkom naslagwerk!

6. De schrijver heeft een gelukkige kindertijd gehad in de ‘Veenstraat’ maar op een gegeven moment werd het leven haar daar te benauwd. Er was geen ruimte voor andersdenken, voor andersdoen. Dus kort na de puberteit was het tijd om de Veenstraat de verruilen voor de grote stad, en om de dromen die ze had gestalte te geven.

7. Veenstraten zijn overal. Zowel in een wijk in een stad als in een dorp op het platteland, zowel in Noord Holland als in China als in Drenthe.

8. In 1954-55 komen de personages ‘op’. De lezer maakt kennis met de bewoners die nog vol zijn van oorlog, trauma’s of hoop en verwachting, een nieuw leven na de oorlog, een eigen huis. Daarna wordt de geschiedenis van de wijk uit de doeken gedaan, die een vooruitblik op de toekomst bevat, gevolgd door een sprong van bijna tien jaar naar een nieuwe tijd van losbandigheid, seks, en rock en roll. Een generatieconflict is het onvermijdelijke gevolg.

9. Anna Gerding lijkt wel erg op een wit wief met haar lange witte haar, ze doet voorspellingen die niemand gelooft maar die wel uitkomen. Het water van het meer is weg, maar bij veel regen overstromen de straten die op de plek van het meer zijn gebouwd. Langzaam maar zeker loopt de Veenstraat leeg, net zoals het meer dat er ooit lag. 10. Het onvermogen om tot echt contact te komen, naar elkaar te luisteren, elkaar vragen te stellen, elkaar te begrijpen. Oordelen en vooroordelen staan dat in de weg: als je op het zand bent opgegroeid, ben je anders dan wanneer je van het veen of uit Indonesië komt. Als je katholiek bent, begrijp je de gereformeerden niet. Als je lang haar hebt ben je een nozem en wil je dus niet werken. Als je oud bent begrijp je de jongeren niet. Maar er is hoop: het kleine meisje bv, dat via de brievenbus contact zoekt met meneer Zaligman.

RT @Athenaeum: Lees John Kleinens essay over Viet Thanh Nguyens bijzondere, gelaagde De sympathisant uit de Nederlandse Boekengids! https:/…

Uitgeverij Marmer Uitgeverij Marmer

Contact

Uitgeverij Marmer
Bezoekadres: Amalialaan 126 B | 3743 KJ Baarn
Postadres: De Botter 1 | 3742 GA Baarn

E: info@uitgeverijmarmer.nl 

KVK-nr: 32136101
BTW-nr: NL 8195.286.38.B.01